
Abydos
Abydos, zo’n 500 km ten zuiden van Caïro, is een van de oudste heilige plaatsen van Egypte. Het was de begraafplaats van de allereerste farao’s en gold later als het belangrijkste cultuscentrum van Osiris, god van de onderwereld. Duizenden Egyptenaren lieten hier stèles achter of wilden er begraven worden, in de hoop deel te hebben aan de jaarlijkse Osirisprocessie.
Tempel van Seti I
De tempel van Seti I (19e dynastie, bouw begon ca. 1290 v.Chr.) is het bekendste monument van Abydos. Het gebouw heeft een ongewone L-vormige plattegrond en werd na de dood van Seti voltooid door diens zoon Ramses II. De reliëfs, uitgevoerd in fijne kalksteen, behoren tot het mooiste beeldhouwwerk dat het Oude Egypte heeft voortgebracht. In een van de gangen bevindt zich de beroemde Koningslijst van Abydos: een opsomming van 76 farao’s van Menes tot Seti I zelf, met veelzeggende omissies (onder meer Hatsjepsoet, Achnaton en Toetanchamon ontbreken). Ook te vinden in de tempel zijn de bekende pseudo-archeologische ‘helikopterhiërogliefen’: doordat Ramses II een deel van de tekst liet overpleisteren en herschrijven, is op die plek een dubbele laag hiërogliefen zichtbaar geworden die door verwering een vliegtuig- en helikopterachtige vorm lijkt te vertonen — in werkelijkheid een palimpsest van twee koningstitels over elkaar heen.
Osireion
Direct achter de tempel van Seti I ligt het Osireion, een symbolisch graf van de god Osiris. Het is gebouwd op een aanmerkelijk lager niveau dan de tempel en doet qua vorm denken aan een 18e-dynastie koningsgraf in het Dal der Koningen, met grote granieten blokken en een centrale zaal die een deel van het jaar omrings is door water – een verwijzing naar het oerwater van de schepping. Het werd in 1902-1903 ontdekt door Flinders Petrie en Margaret Murray. Over de exacte datering bestaat discussie: de bouwstijl doet archaïscher aan dan de tempel erboven, maar geldt volgens de meeste Egyptologen toch als een monument uit de tijd van Seti I. In de gang naar het complex zijn scènes te vinden uit het Poortenboek, terwijl het gewelfde plafond van de ‘grafkamer’ het oudst bekende Boek van de hemelgodin Noet toont.

Tempel van Ramses II
Ten noorden van de tempel van Seti I liet Ramses II zijn eigen, kleinere tempel bouwen, eveneens gewijd aan Osiris. Het ontwerp volgt het gangbare patroon van de dodentempels in Thebe. De kalkstenen muren zijn nu nog maar zo’n twee meter hoog, maar een deel van de fel gekleurde reliëfs is goed bewaard gebleven, waaronder scènes van de Slag bij Kadesj. Sinds 2008 wordt de tempel onderzocht door een Amerikaanse missie van de New York University onder leiding van Sameh Iskander.

Ontdekking van ramshoofden in de tempel
Tijdens opgravingen bij de tempel van Ramses II deed het NYU-team een reeks opmerkelijke vondsten. In 2020 kwamen bij de zuidwesthoek van de tempel de bouwoffers uit de stichtingsceremonie van 1279 v.Chr. tevoorschijn: voedseloffers, plaquettes met de troonnaam van Ramses II, koperen gereedschapsmodellen en aardewerk. Vlakbij lagen tien grote opslagruimten van kleisteen die als graanschuren dienden. Nog spectaculairder was de vondst in maart 2023: meer dan 2000 gemummificeerde ramskoppen, samen met gemummificeerde schapen, honden, wilde geiten, koeien, gazelles en mangoesten, daterend uit de Ptolemeïsche periode — zo’n duizend jaar na de dood van Ramses II. De vondst wijst op een voortdurende verering van de koning lang na zijn regering.
Umm el-Qaab
Umm el-Qaab (‘moeder van de potten’), zo’n 1,5 km de woestijn in, is de necropool waar Egypte’s vroegste koningen werden begraven: de heersers van ‘dynastie 0’ en de 1e dynastie, plus de laatste twee koningen van de 2e dynastie (onder wie Chasechemwy). De naam verwijst naar de enorme hoeveelheden potscherven die er sinds de oudheid als offergaven zijn achtergelaten. Tijdens het Middenrijk ging men het graf van de vroege koning Djer beschouwen als het graf van Osiris zelf, waardoor de plek uitgroeide tot een pelgrimsoord dat tot in de Ptolemeïsche tijd in gebruik bleef. De site werd voor het eerst opgegraven door Émile Amélineau in de jaren 1890, daarna systematischer door Flinders Petrie (1899-1901), en sinds de jaren 1970 door het Duitse Archeologische Instituut onder leiding van Günter Dreyer, wiens werk onder meer het graf van koningin Merneith blootlegde – mogelijk de eerste vrouwelijke heerser van Egypte.
Omheining van Chasechemwy
Ten noorden van de tempels ligt een reeks grote, ommuurde cultusomheiningen die de vroege koningen bij hun graf lieten bouwen als ‘Ka-huis’ – een voorloper van de latere dodentempels. De best bewaarde is de Shunet el-Zebib (‘rozijnenschuur’), gebouwd door koning Chasechemwy, de laatste heerser van de 2e dynastie (ca. 2700 v.Chr.). Het bestaat uit twee in elkaar geschoven rechthoekige muren, waarvan de buitenmuur tot 12 m hoog bewaard is gebleven. De gevels zijn versierd met nissen in de vorm van het zgn. paleisfaçade-motief. Door de dikke muren werd het lange tijd voor een fort aangezien, maar archeologisch onderzoek wijst uitsluitend op culturele en rituele activiteit. Sinds 1999 loopt een groot conserveringsproject, mede gefinancierd door ARCE, waarbij ontbrekend metselwerk met nieuw, lokaal vervaardigde tichelstenen wordt aangevuld.

Graf van Omm Sety
Aan de rand van Abydos, niet ver van de omheiningsmuur van Chasechemwy, ligt het eenvoudige graf van Dorothy Eady (1904-1981), beter bekend als Omm Sety. Deze Britse dame werd in de jaren 1930 tekenares bij de Egyptische Oudheidkundige Dienst en vestigde zich in 1956 in Abydos, waar ze tot haar dood als bewaakster van de Seti-tempel werkte en waardevol epigrafisch en archeologisch werk verrichtte. Ze geloofde dat ze de reïncarnatie was van een priesteres uit de tijd van Seti I, een overtuiging die soms scepsis opriep maar haar bij veel Egyptologen respect opleverde om haar grote kennis van de tempel. Ze had voor zichzelf een graf naar Egyptisch voorbeeld laten bouwen bij haar huis, maar mocht daar op religieuze gronden niet in worden bijgezet; ze ligt nu in een onopvallend graf in de woestijn net buiten de Koptische begraafplaats, met zicht op het westen.
