Zwarte farao’s

Zwarte farao’s

In de woestijn bij Meroë in het huidige Sudan staan vreemde, puntige piramides met een kapel ervoor. De piramides doen Egyptisch aan, terwijl de kapellen lijken op kleine versies van Nieuwerijks tempels. Dit zijn de piramides van het koninkrijk Koesj, een Afrikaans rijk dat meer dan 1000 jaar in veranderende vorm heeft bestaan. De Egyptenaren spraken het liefst over de ‘ellendige Koesjieten’, omdat Koesj hen rond 750 v.Chr. een eeuw lang had veroverd.

George Andrew Reisner was de eerste archeoloog die de Koesjitische cultuur onderzocht. Hij zag de beschaving als een importproduct uit Egypte. Aan het begin van de 20e eeuw was het volgens wetenschappers nog ondenkbaar dat een ‘zwart ras’ een succesvol rijk onderhield. Dit koloniale beeld heeft het onderzoek naar de Koesjitische beschaving lange tijd beïnvloed.

De piramides van Meroë (foto: Ron Van Oers)

Rond 700 v.Chr. lag de hoofdstad van het Koesjitische rijk in Napata. In de heilige berg Djebel Barkal bevond zich hier een tempel voor de Egyptische god Amon en de koningen lieten zich bij Nuri in piramides begraven. Reisner, die voornamelijk in Giza opgroef, reisde jaarlijks af naar Napata, waar hij 25 piramides onderzocht. De site was al flink geplunderd en Reisner publiceerde vrijwel niets over zijn opgraving. Van de piramide van Nastasen, de laatste koning die hier begraven lag, liet hij alleen de eerste van drie grafkamers opgraven.

Het graf kwam vorig jaar in het nieuws omdat archeoloog Pearce Paul Creasman het voor National Geographic ging onderzoeken. Bijzonder aan het graf is dat het grotendeels onder water staat. Samen met onderwaterarcheoloog Kristin Romey werd een duik georganiseerd om zo het graf te kunnen verkennen. In de derde kamer troffen de archeologen onder water een stenen sarcofaag aan, restjes bladgoud en een afgebroken shabti. Het zijn overblijfselen die grafrovers hebben laten liggen en die een hint geven van de macht van koning Nastasen.

Schematische weergave van het ondergelopen graf van Nastasen (© National Geographic)

Het Koesjitische rijk vindt zijn oorsprong in de zogenaamde Kerma-cultuur, die van ca. 2500-1500 v.Chr. heerste in noord- en centraal Sudan. De site Kerma, die werd opgegraven door Charles Bonnet, bestond uit een grote stad en een begraafplaats van grafheuvels. Men vond aanwijzingen voor het bestaan van een klasse van elitepersonen, die profiteerde van de bloeiende handel met Centraal Afrika en Egypte, waarbij de Nijl al snelweg diende. Bij Kerma werd tevens een put gevonden met granieten beelden van de latere ‘zwarte farao’s’ die tijdens de 25e dynastie over Egypte heersten.

Granieten beeld van Senkamisen, een van de ‘zwarte farao’s’ (foto: Boston MFA)

Rond 1500 v.Chr. viel farao Thoetmosis I Kerma aan en brandde de stad plat. Brandsporen zijn archeologisch aangetroffen op de kleistenen muren. Zo raakte het koninkrijk 500 jaar lang onder Egyptische heerschappij. Thoetmosis III ging nog verder, veroverde het land tot aan Djebel Barkal en bouwde her en der gefortificeerde nederzettingen.

Bij Djebel Barkal, een tafelberg van zandsteen met een rotsformatie die sterk aan de koninklijke Egyptische uraeus-slang deed denken, bouwde hij een tempel voor de Egyptische staatsgod Amon. Deze god werd echter afgebeeld in zijn vorm als ram, zodat hij overeenkwam met een lokale ramsgod. Hiermee werd de Egyptische heerschappij in Kerma op goddelijke wijze gelegitimeerd.

Djebel Barkal met resten van de tempel van Amon (foto: Maria Gropa)

Bij Tombos, Soleb, Sai en Amara West ontstonden zo vestingen. De Egyptische soldaten, ver van huis, huwden er met lokale vrouwen. Bij Amara West ontstond zo een eilandstad met een tempel die van ca. 1280-1500 v.Chr. bewoond was. Archeoloog Neal Spencer groef de stad op en kwam veel te weten over de gewone mensen uit die tijd. Ze woonden in mudbrick huizen met wit geschilderde muren, ovens en opslagplaatsen voor voedsel. Hij vond oorringen van carneool volgens de laatste Egyptische mode en een scarabee met de naam van Thoetmosis III, beschermheilige van de stad. Hier hadden de Egyptische en Koesjitische cultuur zich op natuurlijke wijze vermengd.

De opgraving in Amara West (foto: British Museum)

Het huidige onderzoek in Sudan werpt nieuw licht op de autonome positie van de Koesjitische beschaving, los van het Egyptocentrische beeld. Zo speelden de Koesjitische koninginnen een veel grotere rol tijdens de 25e dynastie dan hun Egyptische tegenhangers. In El-Kurru bevindt zich het graf van Qalhata, de moeder van de laatste Koesjitische koning Tantamani. Ze wordt afgebeeld als de god Osiris die zich opricht op een bed na zijn wedergeboorte. Om haar heen staan koninklijke attributen zoals kronen en scepters, die normaal voor een man bedoeld waren. In plaats van de Koesjitische beschaving vanuit Egyptische perspectief te bezien, kunnen we veel leren door de Egyptische cultuur door een Koesjitische bril te bekijken.

Koningin Qalhata als Osiris (foto: Osirisnet)

Meer ontdekken:

Mummificatiewerkplaats onderzocht

Mummificatiewerkplaats onderzocht

In een mummificatiewerkplaats in Saqqara die in 2018 werd opgegraven is een nieuwe grafkamer ontdekt. De grafkamer bevat vier houten kisten in slechte staat van preservering. De ontdekking werd afgelopen seizoen gedaan door een Egyptisch-Duits team onder leiding van de Universiteit Tübingen.

Een van de houten kisten in een typische uitgeholde sarcofaag

Een van de kisten behoorde aan een vrouw genaamd Didibastet. Ze was begraven met maar liefst zes canopenvazen, waar er normaal gesproken vier werden meegegeven. Wat er precies in de canopenvazen zit wordt met CT scans onderzocht.

De begraven individuen waren naar hun inscripties priesters en priesteressen van een mysterieuze slangengodin genaamd ‘Niut-shaes’. Ze leefden tijdens de 26e Egyptische dynastie (ca. 600 v.Chr) in de hoofdstad Memphis, waar deze slangengodin mogelijk een tempel had.

Aan hun namen te zien waren ze mogelijk immigranten. ‘Ayput’ en ‘Tjanimit’ doen denken aan de Libische gemeenschap die zich vanaf de 22e dynastie (ca. 900 v.Chr.) in Egypte vestigde. Een van de priesteressen droeg een vergulden zilveren masker.

Chemische testen op het residu in de schalen en potten gebruikt voor mummificatie wezen op verschillende stoffen: bitumen, cederolie, pistache hars, bijenwas, dierlijk vet en mogelijk olijfolie. Het mummificeren van lichamen met deze kostbare benodigdheden was een goed verdienmodel in het oude Egypte.

De opgraving in Saqqara

Bron en foto’s

Virtuele activiteiten in crisistijd

Virtuele activiteiten in crisistijd

In een vorige blog post vond je al diverse links naar virtuele monumenten en online musea. Hier weer een aantal virusvrije activiteiten om te doen vanuit je luie stoel of achter je bureau:

Online tentoonstellingen:

Online lezingen:

Virtuele tours:

Online legpuzzels:

Het virtuele graf van Wahty